|
Informatie over: Hoeven en hoefbeslag
Veulens
Veulens worden geboren met gezonde hoeven, die geprogrammeerd zijn op een bestaan
in het wild. Vanaf de tweede dag moeten veulens al met de kudde mee kunnen. De afstand
die een kudde per dag aflegt is vaak meer dan 30 km. Gedomesticeerde veulens worden,
als ze geluk hebben, buiten geboren. Zij zijn geen onderdeel van een trekkende kudde,
maar hoogstens van een groep in een klein begrenst gebied. Hierdoor groeit een veulenhoef
erg hard. Zelfs zo hard dat er vaak te veel wand is.
Hoe zorgen we voor een optimale gang en stand, voor het opgroeiende veulen?
Op erfelijke aanleg hebben we geen invloed, maar er zijn diverse zaken waar wel
op gelet kan worden bij het opgroeien van een veulen, zoals huisvesting, voeding
en hoefverzorging.
Huisvesting
Veulens moeten zo veel mogelijk met soort- en leeftijdsgenoten in de open lucht
opgroeien. Een groep paarden van verschillende leeftijden, in een ruime omgeving
stimuleert veulens met elkaar te spelen. Dit spelen is erg van belang. Uit onderzoek
blijkt dat een veulen dat op deze manier opgroeit minder kans heeft op problemen
zoals OCD (een gewrichtsaandoening die op jonge leeftijd ontstaat).
Hoefverzorging van veulens
Voor een optimale ontwikkeling van de hoef is het dan ook van belangrijk dat hoeven
regelmatig gecontroleerd worden. Veulens hebben aan het gewrichtsuiteinde van botten,
groeikraakbeen, ook wel de groeischijven genoemd.
Onder invloed van hormonen en enzymen worden hier nieuwe botcellen aangemaakt, waardoor
het bot in de lengte groeit. Langzaam verbenen de groeischijven. Het zachte, veerkrachtige
kraakbeen krijgt dan net als de rest van het bot een sterke en stevige botstructuur.
Dit verbenen gebeurt al in de baarmoeder en gaat door tot het paard lichamelijk
volgroeid is. Het verbenen of sluiten van de groeischijven begint onder in het lichaam
en gaat van onder naar boven. Dit proces duurt tot het veulen zo’n 2,5 tot 3 jaar
is geworden.
De groeischijf van het hoefbeen is bij de geboorte al gesloten, daarna volgt van
0 tot 6 maanden het kroonbeen, van 6 maanden tot 1 jaar het kootbeen, van 8 maanden
tot 1,5 jaar het pijpbeen, gevolgd door de voorknie op de leeftijd van 1,5 tot 2,5
jaar, gevolgd door de onderarm op de leeftijd van 2 tot 2,5 jaar.
Het is dus duidelijk dat standcorrecties zo vroeg mogelijk gedaan moeten worden!
Het is dus verstandig om de hoefsmid al binnen een paar weken na de geboorte van
een veulen te laten komen. In het eerste levensjaar zal de hoefsmid meerdere keren
moeten komen om bijvoorbeeld een verkeerde hoefstand te corrigeren.
De groeisnelheid van de botten neemt snel af. Een veulen van zes maanden is immers
al op de helft van zijn volwassen lichaamsgrootte. Het is daarom verstandig om vanaf
de vierde dag na zijn geboorte te beginnen met af en toe de voetjes op te tillen,
zodat het dier hier al aan gewend is, wanneer de hoefsmid komt.
|
Taak van de hoefsmid
Bij veulens is de taak van de hoefsmid hoofdzakelijk om de natuurlijke slijtage
te simuleren. Daarnaast zorgt hij er natuurlijk voor dat de stand goed is en blijft,
want deze is bepalend voor de rest van het leven van het paard. Bovendien is de
stand bij een groeiend veulen geen statisch iets, het verandert constant en soms
abrupt als gevolg van een trauma.
De stand wordt bijvoorbeeld beïnvloedt doordat veulens erg hoog op de benen staan
en moeilijk bij het gras kunnen. Ze verzinnen de raarste houdingen om wel bij het
gras te kunnen, deze houdingen geven zulke scheve belastingen in de hoeven dat daardoor
gemakkelijk de stand kan veranderen.
Als eigenaar / verzorger is het daarom belangrijk om ook tussen de bezoeken van
de hoefsmid regelmatig op de hoeven te letten. Kleine standcorrecties kunnen met
een mes en/of rasp door een kundige hoefsmid gedaan worden.
|
|
Waarom hoefijzers?
Hoefijzers moet je zien als schoenen. Ze beschermen de hoeven van de paarden
tegen slijtage op de harde weg. In het wild hebben de paarden de ijzers niet nodig.
Daar lopen ze niet over het asfalt. Paarden krijgen dus hoefijzers onder om slijtage
tegen te gaan, maar ook tegen het strijken van de benen en om sportprestaties te
verhogen. Vertel de hoefsmid daarom altijd waar het paard voor wordt gebruikt, zodat
hij het juiste beslag gebruikt.
|
|
|
Warm beslag
Een paard kan warm of koud beslagen worden. Bij koud beslag slaat de smid het
ijzer in de juiste vorm, zonder het te verwarmen in een vuur. Ik werk in hoofdzaak
met warm beslag, maar koud beslaan is geen probleem. Aangezien het hoorn van de
hoef een slechte geleider voor warmte of koude is, kan er geen schade optreden bij
warm beslag.
Ook wordt bij het opnieuw beslaan van het paard de slijtage van het vorige ijzer
bekeken, om met het nieuwe ijzer, de stand van de voet te corrigeren.
|
|
Werktuigen
De basis van de werktuigen die een hoefsmid gebruikt, wordt gevormd door een
gasoven, een aambeeld, een boormachine, een tapmachine en een schuurband. Daarnaast
gebruikt hij uiteraard hamers, allerlei tangen, kapmessen en raspen.
|
|
|
|